sprookje2

Sprookje van de geboorte van jij bent de allermooiste ooit

 

Hij viel op een dag van een richel twee gaten in zijn kop.

Zij vond hem, ging instinctief naar ijs op zoek om de wonden te koelen en te

stelpen. Zij werd in de weken die volgden blind verliefd.

Warm van zijn intense onstopbaar geril en gekreun.

 

Het stopte toen ze na ijs van de gletscher twee kristallen in de gaten duwde.

Ze wist niet meer of ze dit uit wanhoop, meligheid of uit een onhandige poging

tot medeleven ten uitvoer had gebracht. Ze was net als hij die dag uit haar

gewone doen.

Ze had de stenen op de tast in de bedding van de beek gevoeld, die onder de gletscher uitsijpelde. Toen ze deze in haar palmen hield benamen ze haar een kort moment de adem.

 

Die nacht sliep hij zeldzaam en bijzonder vast. Iets van ongekende omvang

was in zijn kop begonnen. Sommige kristallen  verstaan de kunst te kunnen

helen. Deze twee waren bijzonder helder, zo zou weldra blijken. Zij weefden

wat al niet aaneen totdat het domweg werkte. Temidden van het wonder dat

zich hier voltrok voorzagen de kristallen voor zichzelf de beste plek, waar ze

zich tevreden nestelden. Ze holden en bolden, al naar gelang de instructies die

ze vanaf die nacht van breinswege kregen.

 

Zij schrok de ochtend erna wakker omdat hij met een vinger teder haar

contouren natrok. "Wat doe je" riep ze giechelig. "Ik bewonder je, ik zie nu

wat ik altijd voelde."

Wat hij daar sprak was werkelijk zo buitenaards dat ze besloot op haar rug te

komen liggen. "Wat bedoel je nou?" Ze merkte aan de afstand van zijn stem

daarnet, en nu, bij het horen van zijn adem, dat hij al die tijd aandachtig met

zijn kop boven haar hing. Dat gaf een heel apart gevoel.

 

Kort daarna zagen de woorden: "Jij bent de allermooiste ooit" voor het eerst

op deze aarde het licht. Lucht gaf krimp. Stilte hield het voor gezien.

Wind kwam tot leven om de woorden mee te tronen en ze in heinde en verre te zingen. Zon en maan besloten eensgezind om op gezette tijden uit te dijen,

zichtbaar laag boven de horizon. Bloemen kleurden, sterrenlicht trilt er tot op

vandaag nog altijd ietsje van en zelfs de regen boog voor deze onvergetelijke 

zin. "Jij bent mijn blauwe wondervrouw" verzuchtte hij er blij aan toe, waarop zij gloeide en hij lachte. "Je huid verkleurt van blauw naar rood!" En hij zag bij

zichzelf iets soortgelijks.

 

Vanaf toen nam hij haar kop veel vaker teder bij de hand en noemde het haar

lieve hoofd. Zij noemden elkaar nog veel meer namen. Wanneer zij zich

voldoende ineengestrengeld wisten rolden zij de helling af, tot hun lijven de

sensatie van zachtheid van de laag gelegen grassen voelden. Daar zouden zij

voortaan vertoeven. Hun toekomst zag er rooskleurig uit.

 

Alle kinderen die zij maakten hadden betoverende ogen, zoals je ze

tegenwoordig zelden, meestal nog maar eens in een heel leven ziet…

 

>

<