Traag gordijn daalt in de straat.
Glijpartijen ongelukken
op een morgen in maart.
Nog voor tienen zijn de sporen
tot plassen, weggewassen.
Lucht, gebroken, spiegelt zich
studeert in zwijgend water
op zijn allermooiste lach.
Elke oneffenheid
in zijn gezicht trekt weg.
Zijn smetteloze grijns
glinstert in vochtige restanten
op het matte asfaltgrijs.
Lichtblauw en onbevangen
herinnert lucht zich niets.
Mijn hart wordt overstelpt
door de spreeuwenwolk
die uit de stilte rijst
opstijgt en – volkomen één –
met duizenden tegelijk
de schemer virtuoos boetseert.
Mijn hart wil uit mijn lijf mee
opgaan in die pracht.
Oerdans. Kracht.
>
<